Freelancers houden niet veel over!

Freelancers houden niet veel over!

 

 

(Met dank aan NVJ, waar artikel eerder is verschenen). De reden dat we toestemming hebben gekregen van de NJV om dit interview ook hier te plaatsen, is dat dit interview niet alleen de problematiek van zzp’ers in de journalistiek schetst maar ook in de communicatiebranche. CommTop heeft als een van haar doelstellingen dat kwaliteit een prijs (rechtvaardig tarief) kent.

Sheila Sitalsing was onder meer redactiechef en politiek redacteur bij de Volkskrant totdat zij in 2009 met haar gezin naar Suriname verhuisde en daar twee jaar bleef wonen. In 2010 begon ze met freelancen; een jaar later werd ze columnist op pagina twee van de Volkskrant, een plek die ze deelt met Bert Wagendorp. Voor zichzelf maakt Sheila Sitalsing zich geen zorgen, het gaat haar relatief goed. Toch vindt ze dat de onderhandelingspositie van freelancers ondermaats is en daarom is ze voorstander van een minimumtarief. “Als we zo doorgaan, krijgen we putjesjournalistiek. Verschrikkelijk, want journalistiek is zo’n relevant en belangrijk vak.” Sheila Sitalsing realiseert zich al te goed dat ze als luxe freelance journalist is binnengevlogen. Ze kreeg een vaste column voor drie dagen per week voor een vast tarief. “In die zin ben ik nooit een worstelende freelancer geweest omdat ik het geluk had een vaste plek in de krant te hebben.”

Als je de vergelijking maakt tussen wat je in vaste dienst verdiende en nu als freelancer, vind je die verdiensten dan in verhouding?

“Dat vind ik moeilijk te beantwoorden. Als redactiechef – en vervolgens verslaggever – zat ik in een redelijk hoge schaal en ik had doorgroeimogelijkheden. Als ik kijk naar wat ik nu bruto omzet en wat ik zou verdienen als ik in loondienst was gebleven, dan zal dat elkaar niet veel ontlopen. Toch denk ik dat ik er in vaste dienst beter voor stond. Ik kon ‘gratis ziek’ zijn, kreeg vakantiegeld en bouwde pensioen op. Ik ben nu niet verzekerd, de uren die ik niet werk worden niet uitbetaald. Ik zet wel geld opzij, ook voor mijn pensioen. Eigenlijk zouden we als freelancers dertig of vijftig procent meer moeten vragen, als we ons fatsoenlijk willen verzekeren en alle zekerheden kunnen inkopen die je in vaste dienst hebt.”

Heb jij berekend wat jouw uurprijs ongeveer is?

“Jawel, ik heb een vast tarief voor mijn columns en ik weet dat ik daar dus een bepaald  aantal uur aan kan besteden. Bij losse klussen, bijvoorbeeld een column voordragen voor een organisatie, reken ik uit hoe lang ik bezig ben met research en met schrijven, hoe lang ik daar aanwezig ben. Dan breng ik een offerte uit op basis van mijn uren. Gaandeweg kwam ik erachter dat ik veel meer kon vragen. Daarmee gingen partijen ook akkoord. Dat zijn wel de commerciëlere opdrachtgevers en die bieden meer dan…”

Kranten?

“Ja, alsof de krant niet commercieel is! Het is een rare kronkel in ons hoofd, dat we dat onderscheid maken. Ik zie het ook bij mijn collega’s met gemengde klussen. Als je door een brancheorganisatie wordt gevraagd vindt iedereen het doodnormaal dat je méér vraagt dan je krantentarief en als de krant je zou vragen om een praatje te houden, reageer je bij wijze van spreken met: ‘joh, ‘tuurlijk, betaal mijn treinkaartje maar.’ Dat is raar. Er wordt bij de krant geld verdiend en toch benader ik hen als een ander soort opdrachtgever. Ik vind het ingewikkeld om uit te leggen, want er zit geen logica in.”

Omdat de krant een maatschappelijk belang dient?

“Ja, maar daar wordt ook winst gemaakt. De Volkskrant is geen verliesgevende krant. Het is een raar soort terughoudendheid die totaal niet rationeel is.”

Wordt de verleiding dan niet groot om meer de commerciële kant op te gaan?

“Nee, totaal niet. Ik vind wat ik nu doe veel leuker en ik wil geen puur commerciële klussen doen omdat ik mijn geloofwaardigheid als onafhankelijk columnist wil houden. Als ik door overheden of andere organisaties word ingehuurd vragen ze om een kritische, onafhankelijke blik van buitenaf. Dat doe ik, en ik kan er nog geld voor vragen ook. Heerlijk. Maar wat ik doe voor de krant vind ik belangrijker. Mooier ook.”

Omdat je iets aan de kaak stelt?

“Ja dat. En ook omdat het voor mijn eigen lezerspubliek is. Ik kom als een huisgenoot binnen op de koffie. Dat vind ik mooi.”

Wat zou een redelijk tarief moeten zijn voor een ervaren freelancer?

“Laatst heb ik iets voor een woordtarief geschreven, wat ik weinig doe, en toen ik mijn tijdsinvestering ging omrekenen naar een uurtarief kwam ik uit op ongeveer 45 euro per uur. Dat is eigenlijk te weinig, want daar moet de helft af voor belastingen, verzekeringen, ziekte, vakantiegeld en pensioen. En een flink deel van je werkweek als freelancer is niet declarabel; die uren leveren dus nul euro op. Toen ik nog aan de andere kant van de tafel zat en freelancers inhuurde – met woordtarieven – zag ik dat zij gingen rekenen in uren en terugkwamen met het antwoord dat ze voor 500 woorden niet drie verschillende locaties konden bezoeken. Ik had me dat als opdrachtgever nooit gerealiseerd.”

Heb je het idee dat opdrachtgevers zich dit nog steeds niet realiseren?

“Ik denk dat ze geen idee hebben. Ze zien alleen het brutobedrag en vinden dat heel hoog. En ze lezen dat zzp’ers allerlei belastingvoord0elen hebben. Opdrachtgevers denken dat freelancers heel veel over houden.”

Twee jaar geleden stuurde De Persgroep nieuwe leveringsvoorwaarden, waarin stond dat De Persgroep vrijelijk het werk mocht gebruiken in ruil voor een tariefsverhoging van 5 procent. Je schreef in een brief aan De Persgroep ondermeer dat je weigerde je te laten behandelen als ‘tot uw beschikking staand, willoos voetvolk’.

“Ik was vooral boos over het verlies aan zeggenschap. Stukken mochten voortaan aan Jan en alleman worden doorverkocht en in allerlei databanken staan. Maar het is míjn werk. Je gaat toch niet voor 5 procent verhoging alles weggeven? Ik wil zelf bepalen of een stuk ergens anders te lezen is en zeker niet in verkorte of verminkte vorm. Ik vond dat ik lawaai moest maken. De NVJ is er heel snel bovenop gesprongen en is in gesprek gegaan met De Persgroep. De voorwaarden die tegen de wet waren  – over het afwentelen van alle aansprakelijkheid op de freelancer bij conflicten met de Belastingdienst -, zijn aangepast.”

Het voorbeeld van De Persgroep geeft aan hoe de machtsverhoudingen liggen.

“Op hoofdredactieniveau kun je prima afspraken maken, hoofdredacteuren zijn zelf ook journalist. Maar als zij worden overruled door de managers in pak die zelf nog nooit een stukje hebben getikt en denken dat je voor anderhalf dubbeltje per woord fatsoenlijke teksten kunt krijgen, dan is die afspraak lastig te handhaven. Het probleem ligt niet bij de hoofdredacties, maar hoger in het concern.”

Hoe sta je tegenover gezamenlijke afspraken die de onderhandelingspositie van freelancers versterken?

“Volgens mij moet je naar minimumtarieven toe om in elk geval de individuele onderhandelingsmacht en de disbalans te verbeteren. Een freelancer heeft nu amper onderhandelingsmacht omdat de geschreven pers in handen is van een handjevol mediaconcerns, die vergelijkbare voorwaarden en tarieven hanteren: het is een kartel. Dertien cent per woord is geen serieuze journalistiek.”

Niet alle zzp’ers zijn voorstander van een minimumtarief: je bent ondernemer of je bent het niet.

“Er is een handjevol freelancers dat best goed boert. Maar er is ook een onderkant waar freelancers op een bestaansminimum zitten omdat ze voor minimale tarieven werken. Dat is niet alleen slecht voor de mensen, maar ook heel slecht voor de journalistiek. Het idee ontstaat – óók bij die managers uit het mediakartel – dat het wel gratis kan. Journalistiek als hobby. Ik snap dat een afspraak over minimumtarieven ingewikkeld is. Tegelijk komt er gelukkig meer aandacht voor het fenomeen werkende armen; daar vallen veel zzp’ers en flexwerkers onder, postbezorgers én journalisten. Als we op deze weg doorgaan, krijgen we putjesjournalistiek en dat is voor niemand goed.”

Dat klinkt onaantrekkelijk voor wie dit vak willen uitvoeren.

“Af en toe geef ik op de UvA gastcolleges in columns schrijven. Daar zitten altijd enkele studenten bij die talent hebben en graag verder willen met schrijven. Met pijn in mijn hart zeg ik dat ze dat vooral moeten doen, maar ik waarschuw ook voor de lage tarieven.”

Wat vind je daarvan?

“Verschrikkelijk, want journalistiek is zo’n maatschappelijk relevant en belangrijk vak. Het ergste vind ik dat de regiojournalistiek aan gort gaat. De lokale krant wordt vol getypt door een handvol overwerkte journalisten die nauwelijks aan onthullingen toe komen. Journalisten zijn de antennes van de samenleving, zij horen als eerste wat er broeit, waar gedonder is. Af en toe laait het debat op over subsidie voor de regionale pers vanwege het maatschappelijke belang. Vroeger dacht ik: niet doen, maar inmiddels ben ik om. De verantwoordelijkheden van gemeenten nemen toe en de democratische controle vanuit de pers neemt af. Ik vind dat zorgelijk, misschien nog wel zorgelijker dan de lage tarieven.”